Het roken van tabak was in begin erg kostbaar en dit zag je daarom ook voornamelijk in de hoogste kringen. Ook werd er toen gedacht dat tabak een heilzame werking zou hebben waardoor tabak regelmatig door artsen werd voorgeschreven. Nu, 400 jaar later, weten we wel beter.

Het roken van tabak in de vorm van pijptabak werd in de Vroeg Nieuwe Tijd (de middeleeuwen eindigen bij de ontdekking van Amerika) langzaam gemeengoed, vooral toen de tabak goedkoper werd en later ook inheems werd geteeld. Gerookt werd met een kleipijp van witbakkende klei. Deze waren erg kwetsbaar, reden dat ze regelmatig gevonden worden bij opgravingen maar ook zomaar op akkers waar ze vaak met het uitrijden van mest werden meegenomen.


De kleipijp

Het duurde nog even voordat, na de ontdekking van de tabak in Zuid-Amerika, het roken ervan in Europa gemeengoed werd. Voor Nederland mag Gouda gezien worden als hèt centrum van de kleipijpindustrie in Nederland. Het was William Baernelts, die om geloofsredenen uit Engeland was gevlucht en in 1608 in Gouda arriveerde met zijn kleipijpenmallen. Er ontstonden na verloop van tijd veel kleine bedrijfjes. De enige nog overgebleven fabriek uit die tijd is Royal Goedewaagen, begonnen in 1610 als aardewerkfabriekje “De Star”, er worden nog steeds kleipijpen gemaakt.

Als klei wordt witte pijpaarde gebruikt, een kleisoort waar al sinds de Romeinse tijd pijpaarde beeldjes van worden gemaakt, maar in Nederland niet te vinden is, en dus geïmporteerd moet worden.

De kleipijp bestaat uit verschillende onderdelen zoals:

1.     Kop of ketel
2.     Ketel opening
3.     Hiel of spoor, met soms een hielmerk
4.     Stoep
5.     Steel met soms een zijmerk
6.     Mondstuk (hier niet aanwezig)
7.     Rookkanaal
8.     Radering

De voorkant van de pijp is de kant die we zien als we roken, de andere kant is dan vanzelfsprekend de achterkant. Als afwerking kan de kop of steel versierd zijn. Ook kan de ketel gepolijst worden, dit noemen we een “geglaasd oppervlak”

Het vinden van een kleipijp, meestal de kop, is een leuke vondst. Dat er regelmatig pijpenkoppen te vinden zijn ligt natuurlijk aan de kwetsbaarheid van de kleipijp, al vind je vaker een kop dan een (stukje)steel. Naarmate je een verzameling hebt, ga je zien dat er veel verschillen zijn. Zo zijn er eenvoudige gladde of ruwe pijpen, kleine maar ook grote. Eenvoudig of rijkversierd. Ook de stelen hebben soms versieringen, met of zonder hielmerk, dikke stelen maar ook dunne. Ook komen er bijzondere vormen voor met hoofden, gelegenheidspijpen, reclamepijpen enz. Leuk zijn de pijpjes waarbij tijdens het roken een, vaak ondeugend, plaatje tevoorschijn komt.

Wie heeft ze gemaakt en hoe oud zijn ze? Dit blijkt lastiger dan gedacht. In 1975 verscheen een AWN-monografie, aan de hand van jarenlang bestudering van vele duizenden pijpenkoppen, door Frits Friedrich.

Friedrich ontwikkelde een dateringsmethode die, naar later zou blijken, wereldwijd een begrip zou worden. Zijn “Pijpelogie” is gebaseerd op de inhoud van de kop of ketel waarbij de gedachten speelt dat tabak steeds goedkoper en daardoor de inhoud van de kop evenredig groter werd. Zijn “HBO-methode” (hoogte x breedte x opening) gaf een getal weer wat afgezet in een grafiek een stijgende lijn liet zien die ongeveer overeenkwam met een datering. De publicatie bevat vele honderden tekeningen van pijpenkoppen en hielmerken en is alleen daarom al een waardevol naslagwerk. In Amerika werd volgens dezelfde gedachte een dateringsmethode ontwikkeld die gebaseerd was op de grootte van het rookkanaal. Deze methode hield niet lang stand.

Latere onderzoekers, o.a. Don Duco, geven aan dat een datering volgens de HBO-methode lang niet altijd de juiste uitkomst biedt. Grotere pijpenkoppen kunnen eerder worden gedateerd, ze zijn waarschijnlijk gebruikt om gezamenlijk te roken of als pronkpijp en zo werden kleinere pijpenkoppen nog lange tijd gebruikt. Een losse vondst is daarom moeilijk te dateren. Wel zijn er na Friedrich vele publicaties verschenen over pijpenkoppen, zodat de geïnteresseerde verzamelaar kan putten uit veel informatie, die gelukkig ook via internet te vinden is.

Naast kleipijpen van wit bakkend aardewerk zijn er pijpen gemaakt van andere kleisoorten, porselein, meerschuim, barnsteen enz. Later verscheen de bekende houtenpijp, de besten gemaakt van een speciale Franse heidewortel. Een bekend merk hiervan is b.v. Dunhill. Door invoering van pruim- en snuiftabak en vooral de sigaar en sigaret, verloor het roken van kleipijpen, rond het begin van de vorige eeuw, zijn belangstelling.

Naast Gouda zijn er vele productiecentra geweest, zo heeft Zwolle ook een aantal pijpenbakkers gekend, zoals de familie Van der Veen (Adolf, Frans en Jacobus). Ze werkten van ca. 1730 tot 1780 in Zwolle. Bij een opgraving aan de Drietrommeltjes steeg in 1980 is een vondstcomplex van kleipijpen gevonden die doet vermoeden dat hier een pijpenmaker zijn ambacht heeft uitgeoefend. Resultaten deze opgraving zijn door Arnold Carmiggelt gepubliceerd in: “Zwolse tabakspijpenmakers en hun producten”
In een latere publicatie vermeldt Carmiggelt de vroegst gevonden pijpenmaker in Zwolle, die, volgens archiefvermelding, in 1638 zijn pijpen liet baken bij Jan Pottebacker. Waarbij het om een Engelsman gaat. Zwolse pijpen vertonen o.a. afbeeldingen van een visser/molen, drie gekroonde vissen en de letters AVV.

Niet iedere pijpenmaker had een eigen oven, vaak werden potten met pijpen bij een pottenbakker in de oven meegebakken. Een leuke vondst die dit bevestigd is een pijpje met een beetje “lekglazuur”, afkomstig van een aardenwerken pot die er boven stond.

Soms is de maker te achterhalen door een hielmark, initialen op de bak of een bijzondere versiering. Het voert in dit artikel te ver om hier uitvoering op in te gaan. Hoofdzaak is dat de belangstelling is gewekt voor de pijpekop en dat er mogelijk nog meer over te vertellen valt, wij helpen u graag op weg.

 

Bronnen:
Pijpelogie: F.H.W. Friedrich, AWN-Monografie nr. 2 – 1975
Zwolse tabakspijpenmakers en hun producten, A. Carmiggelt – 1980
Archeologisch onderzoek tussen Diezeroort en Wijndragerstoren, A. Carmiggelt – 1979
Internet, Don Duco

collectie: JA